
Welke instrumenten van diagnostiek bestaan er?
In de diagnostiek van kinderen met autisme worden drie typen diagnoses onderscheiden:
1. Onderkennende en classificerende diagnose
Bij de onderkennende diagnose wordt bekeken in hoeverre de persoon voldoet aan de criteria voor ’pervasieve ontwikkelingsstoornissen’ zoals vermeld in de DSM-lV. In de DSM-IV staat de term autistische spectrum stoornis nog niet vermeld. Autistische stoornissen zijn opgenomen onder de pervasieve ontwikkelingsstoornissen.
Om in aanmerking te komen voor speciaal onderwijs aan een school van een REC dient een kind volgens de indicatiecriteria toegelaten te zijn voor het speciaal onderwijs van een bepaald cluster. De diagnose ’autisme’ volgens de criteria uit de DSM-IV of ICD 10 is echter op zich onvoldoende om in aanmerking te komen voor speciaal onderwijs. De onderwijsbeperkingen die een kind als gevolg van zijn handicap ondervindt, moeten zo ernstig zijn dat het daarvoor aangewezen is op speciaal onderwijs binnen een van de clusters.
Stappen diagnostisch proces
Volgens de richtlijnen van het protocol autisme (Van der Gaag & Berckelaer-Onnes, 2002) verloopt het diagnostisch proces volgens verschillende stappen:
- Anamnese: het in kaart brengen van het ontwikkelingsverloop en het huidige ontwikkelingsprofiel
- Het onderzoek:
- observatie
- medisch onderzoek
- kinder- en jeugdpsychiatrisch onderzoek
- psychologisch/pedagogisch onderzoek
Instrumentarium
Instrumenten voor een onderkennende en classificerende diagnose:
- AVZ-R (Autisme- en Verwante stoornissenschaal-Z-Revisie, 1999): ontwikkeld door D. Kraijer.
- AVZ-R (Autisme- en Verwante Developmental Disorders’ (PDD’s) bij mensen met een verstandelijke beperking. De schaal voor volwassenen, contact met leeftijd-/niveaugenoten, taal en spraak en overig gedrag. Er zijn normen voor onder andere deelnemers van een kinderdagcentrum (2-15 jaar) en cliënten van een observatiecentrum (2-55 jaar). \\
- De AVZ-R wordt door Resing e.a. (2002) als goed beoordeeld.
- VISK (Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen, 2002), ontwikkeld door E. Luteijn, R. Minderaa en S. Jackson.
- De VISK is een vragenlijst met de bedoeling om probleemgedrag van kinderen met (lichtere) varianten van pervasieve ontwikkelingsstoornissen te omschrijven. De 49 items van de VISK zijn onder te verdelen in zes schalen:
- niet afgestemd
- neiging tot terugtrekken
- oriëntatieproblemen
- niet snappen
- stereotype gedrag
- angst voor verandering
De VISK kan individueel of groepsgewijs worden ingevuld door ouders of verzorgers. Afnameduur: 10 minuten.
Er zijn vier normgroepen: PDD-NOS, ADHD, algemene kinder- en jeugdpsychiatriegroep en verstandelijke gehandicapten.
Resing e.a. (2002) beoordeelde de experimentele versie van de VISK als ’voorlopig aanvaardbaar’ vanwege gebrek aan alternatieven voor PDD-NOS en aanwijzingen voor voldoende psychometrische eigenschappen.
Meer informatie: www.harcourt.nl
Interviews
Om het classificeren volgen de DSM lV meer gestandaardiseerd te laten verlopen zijn een aantal (semi-gestructureerde) interviews ontwikkeld:
- Autisme Diagnostic Interview-R (ADI-R), ontwikkeld door Lord, Rutter & LeCouteur (1994). Specifiek voor de classificatie van autistische stoornissen volgens de DSM lV is de ADI-R ontwikkeld. Omdat er geen andere, vergelijkbare interviews bestaan die wel door de COTAN beoordeeld zijn, geven Resing e.a. de ADI-R de beoordeling ’voorlopig aanvaardbaar’.
Nadere informatie over het instrument is te vinden op www.wpspublish.com
- Diagnostic Interview for Social and Communicative Disorders (DISCO), ontwikkeld door L. Wing (1996).De DISCO is bedoeld voor de classificatie van de verschillende pervasieve ontwikkelingsstoornissen aan de hand van specifieke kenmerken van autisme en klachtenanamnese autisme. De DISCO is niet door de COTAN beoordeeld. Omdat er geen andere, vergelijkbare interviews bestaan die wel door de COTAN beoordeeld zijn, geven Resing e.a. de beoordeling ’voorlopig aanvaardbaar’.
Er is een Nederlandse vertaling en bewerking van Van Berkelaer-Onnes, Dijkshoorn & Noens (2001). Na training aan de Rijksuniversiteit Leiden, vakgroep Orthopedagogiek, is deze experimentele versie verkrijgbaar.
- CARS (Childhood Autism Rating Scale): ontwikkeld in het kader van het Teach-programma, Treatment and Education of Autistic and related Communications handicapped Children door Schopler e.a. (1988). Omvat een auti-schaal en oudervragenlijst.
2. Verklarende diagnose
Verklarende diagnostiek is erop gericht te achterhalen waarom dit kind met zijn mogelijkheden en beperkingen, uit dit gezin, in deze school, met deze leraar en deze medeleerlingen, de onderkende problemen heeft (Pameijer, M. & Beukering, T. van (1997). Handelingsgerichte diagnostiek. Leuven/Amersfoort: Acco). Waarom ervaart dit kind deze problemen?
In geval van autisme zullen vaak de volgende domeinen verder onderzocht worden:
- contactname
- kwaliteit van denken
- sociale cognitie
In hoeverre zijn beperkingen op deze terreinen van invloed op de problemen die het kind ervaart? Belangrijk is ook vast te stellen welke positieve/beschermende factoren bij dit kind/gezin een rol spelen.
Instrumenten
- Theory of Mind-Revised (TOM-R): De TOM-R meet in hoeverre kinderen beschikken over een ’theory of mind’: de mate waarin kinderen beschikken over sociaal begrip, sociaal inzicht en sociale sensitiviteit. De TOM ontwikkelt zich volgens drie stadia: voorlopers, eerste manifestaties en hoogste niveau van theory of mind. De test is geschikt voor basisschoolkinderen van 5 tot en met 12 jaar.
Van Resing e.a (2002) krijgt de TOM-R de score ’voorlopig aanvaardbaar’ omdat er weinig alternatieven zijn waarmee deze sociale vaardigheden bij het kind zelf onderzocht kunnen worden (in zowel de school- als de thuissituatie). De TOM-R wordt uitgegeven bij Garant.
- Sociaal Cognitieve Vaardigheden Test (SCVT) ontwikkeld door van Manen, Prins & Emmelkamp (experimentele versie). Met de SCVT kan vastgesteld worden of sociaal cognitieve vaardigheden al dan niet aanwezig zijn op een leeftijdsgerelateerd ontwikkelingsniveau. De test is geschikt voor kinderen van 4 tot en met 12; zowel voor ’normale’ kinderen en kinderen met gedragsproblemen (zowel gedragsstoornis, oppositioneel opstandige gedragsstoornis, pervasieve ontwikkelingsstoornis als ADHD). Uitgeverij: Bohn Stafleu & van Loghum, eind 2002)
Ook de SVCT krijgt van Resing e.a (2002) de beoordeling ’voorlopig aanvaardbaar’ omdat er weinig alternatieven zijn voor sociale, cognitieve vaardigheden van het kind. Bovendien geeft de test informatie over sociale, cognitieve vaardigheden in zowel de school- als de thuissituatie.
3. Handelingsgerichte diagnose
Binnen de handelingsgerichte diagnostiek staat de beantwoording van de volgende vraag centraal: Waarom heeft dit kind met zijn mogelijkheden en beperkingen, uit dit gezin, in deze school, met deze leraar en deze medeleerlingen, de onderkende problemen en hoe kunnen deze problemen effectief worden opgelost? (Pameijer, M. & Beukering, T. van (1997). Handelingsgerichte diagnostiek. Leuven/Amersfoort: Acco)
De nadruk ligt nu op het ontwikkelen van een totaalbeeld van het kind. Vanuit dit totaalbeeld wordt gezocht naar wat de beste onderwijsvorm - en/of hulpverleningsvorm is voor dit kind.
Voor het zoeken naar het totaalbeeld en het formuleren van handelingsadviezen, worden de volgende aspecten (beschermende en bedreigende) meegewogen:
- kenmerken van de onderwijsleersituatie
- kenmerken van het gezinssysteem
- het ondersteunende sociale netwerk van het gezin
Bij de advisering wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheden van ouders en leerkrachten. De schoolloopbaan van kinderen met autisme verloopt vaak problematisch. Problemen komen voor op het vlak van:
- informatieverwerking
- cognitieve ontwikkeling
- sociaal-emotionele ontwikkeling
In het diagnostisch onderzoek is het belangrijk om de mogelijkheden en beperkingen van deze kinderen op dit vlak in beeld te brengen, zodat van daaruit aanbevelingen voor een plan van aanpak geformuleerd kunnen worden.
Instrumenten voor handelingsgerichte diagnostiek
- PEP-R (Psychologisch Educatief Profiel, 1990): ontwikkeld door Schopler.
Dit profiel onderzoekt autistische en psychotische kinderen vanuit een ontwikkelingsperspectief. De scores die het kind behaalt op de ontwikkelingsterreinen imitatie (hangt samen met relatie, socialisatie) en taal (verbaal en non-verbaal), visuele en auditieve waarneming, fijne en grove motoriek, oog - handcoördinatie en cognitieve vaardigheden worden gebruikt voor de planning van speciale onderwijsprogramma’s. Autisme wordt gediagnosticeerd via de pathologieschaal die de graad van verwarde en gestoorde gedragingen weergeeft op de volgende gebieden: affect (gevoelsmatige gemoedstoestand), relatie (samenwerking met en interesse voor mensen), spel en interesse voor materiaal, zintuiglijke modaliteiten en taal. De PEP-R is geschikt voor kinderen van 1 - 5 à 6 jaar.
De PEP-R krijgt de classificatie ’onvoldoende’ van Resing e.a. (2002) omdat deze niet door de COTAN beschreven en beoordeeld is. Uitgeverij: Auti-toys, België.
- AAPEP (PEP voor volwassenen en adolescenten): is de vervolgtest op de PEP.
Deze heeft eenzelfde scoringssysteem, doet ook een beperkt beroep op verbale vaardigheden, kent geen tijdsdruk en leert nieuwe vaardigheden aan. Deze test geeft echter geen ontwikkelingsniveaus aan en richt zich meer op vaardigheden om te overleven binnen de schoolgemeenschap. Ook wordt de hoeveelheid hulp die tijdens de test wordt aangeboden, door een score weergegeven. Er zijn drie schalen: de test, de thuisschaal (door interview) en de school/werkschaal (door interviews). Ze meten zes functiegebieden: beroepsvaardigheden (bijvoorbeeld sorteren, bundelen, ...), zelfstandig functioneren, vrijetijdsbesteding, beroepsgedrag (bijvoorbeeld afgeleid worden door geluiden, kan overgangen aan, ...), functionele communicatie en sociaal - interpersoonlijk gedrag (bijvoorbeeld reactie op naam, glimlacht gepast, ...).
Leerling- & competentieprofiel: heeft tot doel om te komen tot een leerling-profiel, waarbij zowel de sterke als de zwakke kanten van een leerling met autisme naar voren komen. Het benadrukken van de sterke kanten van een leerling draagt bij aan de ontwikkeling van een positief zelfbeeld van de leerling en het vermindert faalangst. Tevens kunnen de zwakke kanten van een leerling met behulp van de sterke kanten worden gecompenseerd. Ten slotte biedt het inzicht in de sterke en de zwakke kanten aanknopingspunten voor een handelingsplan. Het leerling & competentie profiel zoals het is weergegeven is een ontwikkelversie. Op een aantal punten zal het nog verder ontwikkeld worden.
